Gebouwbeheersysteem

Met anderen delen

Contacteer ons

+32 2 4823333

Maandag-Vrijdag: 7u30 - 16u (magazijn)

Maandag-Vrijdag: 7u30 - 17u (burelen)

Middagpauze: 12u15 - 13u00

Zo bereikt u ons

WILO nv

Rusatiralaan 2
1083 Ganshoren

Verklarende woordenlijst

De belangrijkste begrippen van gebouwbeheersystemen

Adres: voorwaarde voor de communicatie van apparatuur in een bussysteem.

Actor: tegenhanger van een sensor. Zet elektrische signalen van een regeling om in (meestal) mechanische werkzaamheden zoals druk en doorstroming.

BACnet: internationaal genormeerde, ondernemingsneutrale standaard voor de datacommunicatie in gebouwbeheersystemen (ISO 16484-5).

Baud: eenheid voor de snelheid van een seriële gegevensoverdracht. Voorbeeld: 9600 Baud = 9600 bit/seconde.

Bit: kleinste informatie-eenheid, heeft slechts twee toestanden: nul (0) of één (1); zie ook Byte

Bus: leidingsysteem voor uitwisseling van gegevens tussen meerdere hardwarecomponenten.

Byte: informatie-eenheid, bestaat uit 8 bits.

CAN: serieel, oorspronkelijk voor het automobielbereik ontwikkeld bussysteem, dat inmiddels veelvuldig in de automatiseringstechniek wordt gebruikt.

CANopen: uitbreiding van de standaard CAN met toepassingsrelevante definities, elektronische specificatieblad-bestanden en profielen. Vergemakkelijkt de systeemintegratie en is uitgewerkt door de vereniging CAN in Automation (CiA).

Facility Management
: algemeen management van gebouwen, onroerend goed en bedrijfsprocessen, met als doel de bedrijfs- en beheerskosten blijvend te reduceren, vaste kosten te flexibiliseren, de technische beschikbaarheid van de installaties veilig te stellen en te zorgen dat de gebouwen en installatie langdurig hun waarde  behouden.

Gateway: apparaat dat de protocollen van verschillende bussystemen omzet en zo de verbinding van verschillende netwerken mogelijk maakt. Gegevens die moeten worden overgedragen, dienen voor elke toepassing afzonderlijk te worden gedefinieerd (zie ook Router).

Gebouwbeheersysteem: een gebouwbeheersysteem kent drie niveaus. Het veldniveau, het automatiseringsniveau en het managementniveau. De centrale bevindt zich op het bovenste niveau, oftewel het managementniveau.

IF-module: insteekbare module om elektronische pompen uit te rusten met analoge en digitale interfaces.

IR-module
: infraroodinterface voor contactloze communicatie tussen elektronische pompen en een monitorapparaat voor pompen (PDA).

IR-Stick: USB-infraroodinterface voor contactloze communicatie tussen elektronische pompen en een pc.

LON: open fabrikantonafhankelijk bussysteem, met name voor gebouwbeheersystemen.

Master/slave: busarchitectuur waarbij een bovengeschikt station (master, actief) de communicatie met de andere deelnemers (slaves, passief) regelt. Zie ook Multimaster.

Modbus: communicatieprotocol gebaseerd op een master/slave architectuur. Als overdrachtmedia worden Ethernet en RS485 gebruikt. Breed toegepast in industriële en gebouwbeheersystemen.

Multimaster: actieve toegang tot meerdere deelnemers (master) op één bus. Belangrijk voor de opbouw van een netwerk met verdeelde intelligentie.

Optiemodule: module voor uitbreiding van de functieomvang of interfaces van alle Wilo-producten, uitgezonderd pompen. Bij pompen worden IF-modules toegepast.

PDA: Personal Digital Assistant. Kleine pc met insteeksysteem (SDIO) voor geheugenkaarten of andere hardwarecomponenten. Basis voor de IR-communicatie met elektronische pompen van Wilo.

PLR: centrale computer voor pompen. Gepubliceerd pompenprotocol voor de digitale communicatie tussen elektronische pompen van Wilo en het gebouwbeheersysteem.

Profibus: industriële gegevensbus met multimaster-communicatiefuncties.

Router: apparaat dat berichten tussen verschillende netwerken doorstuurt. Voor toepassing hoeven alleen de communicatieparameters, niet de afzonderlijke over te dragen gegevens, te worden gedefinieerd (zie ook Gateway).

RS232: seriële gegevensinterface tussen computer en bijv. printer of beeldscherm.

RS485: industriële seriële businterface. Hardwareplatform voor verschillende bussystemen.

Interfaceconverter (DigiCon)
: apparaat, geschikt voor bus, dat gegevens van één interface naar een andere omzet.

Interfacemodule: zie IF-module

Sensor: technisch element dat bepaalde fysische eigenschappen zoals druk of doorstroming omzet in elektrische signalen.

Met anderen delen

Verklarende woordenlijst

Pioneering for You